In deze rubriek ziet u de veelgestelde vragen en antwoorden over de referentieniveaus voor taal en rekenen. U kunt onderaan de pagina ook zelf een vraag stellen.

De referentieniveaus zijn voor taal en rekenen apart beschreven. Op deze website vindt u een korte uitleg voor taal en een korte uitleg voor rekenen. U kunt hier ook de rapporten downloaden.
Een goede beheersing van taal en rekenen is essentieel voor een succesvolle onderwijsloopbaan. Taal- en rekenvaardigheden van leerlingen beïnvloeden hun prestaties in alle andere vakken. Helaas presteren Nederlandse leerlingen minder goed op onderdelen van deze basisvaardigheden dan voorheen, zo blijkt uit internationaal vergelijkende onderzoeken. Ook de resultaten van een onderzoeksprogramma van de Inspectie van het Onderwijs naar de prestaties van leerlingen onderstrepen het belang van snelle actie. Daarnaast blijkt regelmatig dat leerlingen die bij de pabo instromen, onvoldoende scoren op de basisvaardigheden taal en rekenen. Kortom, in het gehele stelsel van het basis- en voortgezet onderwijs is een verbetering van het taal- en rekenonderwijs nodig.
Op dit moment zijn er geen sectoroverstijgende afspraken met scholen en leraren over wat leerlingen op bepaalde momenten in hun onderwijsloopbaan moeten kennen en kunnen op het gebied van taal en rekenen (doorlopende leerlijn). Het referentiekader wordt daarom gezien als een goede houvast. Het biedt scholen en leraren meer duidelijkheid over wat leerlingen moeten kunnen. In de verschillende onderwijssectoren weet men hierdoor ook beter wat men van elkaar kan verwachten. Wanneer leerlingen doorstromen van de ene naar de andere sector is het duidelijk welk niveau ze op dat moment (moeten) hebben.
Daarnaast is het referentiekader een goede stimulans voor scholen zich nog eens op hun taal- en rekenbeleid te bezinnen.
Op termijn gaat de Onderwijsinspectie het referentiekader gebruiken bij de beoordeling van de prestaties van leerlingen en scholen, maar niet eerder dan nadat er een zorgvuldig en succesvol invoeringstraject is doorlopen. In overleg met de sector zal hierover nadere besluitvorming plaatsvinden.
Op dit moment zijn er geen sectoroverstijgende afspraken met scholen en leraren over wat leerlingen op bepaalde momenten in hun onderwijsloopbaan moeten kennen en kunnen op het gebied van taal en rekenen (doorlopende leerlijn). Het referentiekader wordt daarom gezien als een goede houvast. Het biedt scholen en leraren meer duidelijkheid over wat leerlingen moeten kunnen. In de verschillende onderwijssectoren weet men hierdoor ook beter wat men van elkaar kan verwachten. Wanneer leerlingen doorstromen van de ene naar de andere sector is het duidelijk welk niveau ze op dat moment (moeten) hebben.
Het invoeringstraject loopt vanaf augustus 2010 - schooljaar 2013/2014. Vanaf augustus 2010 kunnen scholen hun onderwijsbeleid- en praktijk aan het referentiekader gaan aanpassen. Er is dan informatie beschikbaar voor scholen welke toetsen en leerlingvolgsystemen geijkt zijn aan de referentieniveaus.
Tijdens de invoeringsfase volgt het ministerie van OCW de resultaten van scholen zorgvuldig. Dit gebeurt met behulp van de jaarlijkse monitor Doorlopende leerlijnen taal en rekenen. Zo kan de Tweede Kamer op stelselniveau worden geïnformeerd over de vorderingen van leerlingen op het gebied van de referentieniveaus.
Het uitgangspunt blijft een gelijktijdige en slagvaardige invoering van de referentieniveaus in alle onderwijssectoren, waarbij de invoering uiterlijk in 2014 is voltooid.
De referentieniveaus kennen geen nieuwe eisen ten opzichte van kerndoelen en eindtermen, wel worden ze specifieker ingevuld. Uitzonderingen hierbij zijn leerlingen zonder wiskunde in het pakket. Zij leggen (net als de leerlingen die wel wiskunde in hun pakket hebben) een rekentoets af. Op een later moment wordt besloten of en hoe de rekentoets meetelt bij het examen.
In het mbo verandert er iets meer: hier volgen studenten vanaf studiejaar 2010/2011 onderwijs in Nederlands en rekenen. In 2014 leggen zij in deze vakken centrale examens af.
Tenslotte laten referentieniveaus beter zien wat leerlingen op welk moment in hun onderwijsloopbaan moeten kennen en kunnen.
In het voortgezet onderwijs worden de examens Nederlandse taal en wiskunde aan het referentiekader geijkt om te borgen dat leerlingen daadwerkelijk aan de gestelde referentieniveaus voldoen. Leerlingen die in schooljaar 2013/2014 examen afleggen zullen voor het eerst met deze geijkte examens te maken krijgen.
Alle leerlingen zullen een rekentoets afleggen als onderdeel van het eindexamen. Vanaf het schooljaar 2010-2011 vinden proefafnames van de rekentoets plaats. Aan de hand van de resultaten hiervan zal besloten worden of en hoe de toets zal meewegen in de slaag/zakbeslissing.
In het mbo wordt een vorm van centrale examinering voor Nederlands en rekenen/wiskunde ingevoerd, gebaseerd op de referentieniveaus. De invoering van deze examens is een stapsgewijs proces. Scholen krijgen eerst de kans om 2 jaar ervaring op te doen met de afname van centraal ontwikkelde examens. In 2013/2014 worden scholen verplicht om de centrale examens af te nemen bij leerlingen in het mbo-4.
Voor de examinering op mbo niveau-1, -2 en -3 wordt in de herfst van 2009 een implementatieplan opgesteld. Daarvoor wordt verkend welke vormen van centrale examinering bij deze doelgroepen passen.
Op deze website staat een overzicht van de beschikbare toetsen/testen.
Vanaf het studiejaar 2006-2007 leggen eerstejaars pabostudenten een taal- en rekentoets af. Deze toets is ingevoerd omdat het reken- en taalniveau van toekomstige leraren onvoldoende was. Taal en rekenen zijn de belangrijkste basisvakken in het primair onderwijs en het is belangrijk dat pabostudenten over een minimumniveau beschikken voor taal en rekenen. Wanneer aankomend studenten deze basisvaardigheden onvoldoende onder de knie hebben, dan lopen zij een groot risico dat zij tijdens de opleiding onvoldoende kennis en vaardigheden kunnen verwerven om in het basisonderwijs rekenen en taal te onderwijzen. Gevolg daarvan zou zijn dat jonge kinderen onvoldoende worden voorbereid op het vervolgonderwijs en op hun toekomstige plaats in de samenleving.
Studenten maken deze reken- en taaltoetsen bij aanvang van hun studieloopbaan op de pabo. Voldoen zij aan deze landelijk vastgestelde norm, dan is daarmee voor hen dit onderdeel afgesloten. Voldoen zij niet aan de landelijk vastgestelde norm, dan zullen zij zich in het eerste jaar moeten bijscholen. Aan het einde van het eerste schooljaar moeten zij de toets dan opnieuw maken. Wanneer zij dan wel aan de landelijk vastgestelde norm voldoen, is daarmee dit onderdeel afgesloten. Zo niet, dan moet de student stoppen met de pabo.
Deze toetsen zijn van tijdelijke aard. Er wordt hard gewerkt aan een verbetering van het reken- en taalniveau in het vo en mbo. Een aanzienlijke verbetering aan het eind van deze vooropleidingen maakt de toetsen op termijn overbodig. Zie voor meer informatie de website van het CITO.
Het streven is er op gericht om leerlingen zo ver mogelijk te brengen, daarbij kunnen instrumenten, zoals maatwerkprogramma's en/of extra remediëring worden ingezet. Leerlingen die ondanks extra inspanning het niveau niet halen in een bepaalde sector kunnen daaraan verder werken in het vervolgonderwijs. Zo kunnen leerlingen die niveau 1F niet geheel bereiken in het basisonderwijs daarmee verder gaan in het vervolgonderwijs. Wel heeft het behalen van een niveau, zoals gezegd, consequenties voor het schooladvies voor vervolgonderwijs.
Op dit moment zijn de lesmethoden nog niet aangepast aan de referentieniveaus. Uit onderzoek van het Kenniscentrum Leermiddelen (KCL) blijkt dat de bestaande methoden taal en rekenen in grote lijnen de leerstof aanbieden, die het referentiekader vereist.
Leraren kunnen worden ondersteund in het gebruik van deze lesmethoden, in relatie tot de referentieniveaus. In de analyse van het KCL wordt bijvoorbeeld per methode aangegeven welke lesstof correspondeert met welk domein van de referentieniveaus.
De bestaande methoden in de beroepsgerichte vakken in het vo en mbo moeten nog worden onderzocht op hun aansluiting met de referentieniveaus. Hierover wordt momenteel overlegd met de sectororganisaties, het KCL en de uitgeverijen.
Bij het ontwikkelen van nieuwe leermiddelen wordt vanaf het begin rekening gehouden met het referentiekader.
Zie voor meer informatie het onderdeel Kenniscentrum Leermiddelen op de website van SLO.
U kunt informatie vinden over de pilots taal en rekenen op:
- het onderdeel Pilots op deze website
- Steunpunt taal en rekenen mbo
- Taalpilots en rekenpilots op de website van School aan zet
Het taal- en rekenonderwijs op de lerarenopleidingen moet ook worden verbeterd. De lerarenopleidingen ontwikkelen hiervoor zelf gezamenlijke kennisbases met bijbehorende kennisbanken en –toetsen. Deze kennisbases beschrijven de kennis en vakdidactiek, die alle startbekwame leraren moeten bezitten.
De referentieniveaus van Meijerink komen op twee manieren terug in deze kennisbases:
- De startbekwame leerkracht moet zelf een niveau voor taal en rekenen bereiken dat hoger ligt dan 3F (het voor de pabo aanbevolen instroomniveau).
- De startbekwame leerkracht moet voldoende kennis hebben van de referentieniveaus 1 en 2. Kennis hiervan is van groot belang om later goed taal- en rekenonderwijs te kunnen geven op de basisschool.
Instellingen leggen hun voorstellen voor de kennisbases uiterlijk in het najaar van 2009 voor aan staatssecretaris Van Bijsterveldt. Als alles volgens planning verloopt betekent dit dat de kennisbases in studiejaar 2010-2011 worden ingevoerd op de opleidingen.
In 2009 en 2010 kunnen vo-scholen hbo- en wo-studenten als TaalPAL, RekenPAL of BètaPAL inzetten. Het ministerie van OCW heeft voor 600 PAL-plekken een stimuleringsbijdrage gereserveerd. PAL-studenten kunnen leraren helpen bij het voorbereiden van de lessen en de begeleiding van leerlingen op het gebied van taal, rekenen en bèta.
OCW stelt financiële middelen beschikbaar aan de lerarenopleidingen om studenten te ondersteunen met summercourses en remediërende programma’s. Deze summercourses zijn ingesteld om, voorafgaand aan de opleiding, eventuele achterstanden in kennis en studievaardigheden bij de aankomende studenten weg te werken. Deze ‘summercourses’ zijn vanaf het schooljaar 2009-2010 beschikbaar voor de pabo (taal en rekenen) en de tweedegraads lerarenopleiding (taal).
De referentieniveaus hebben betrekking op basisvaardigheden, dat wil zeggen rekenvaardigheden. In de kerndoelen en eindtermen worden ook eisen gesteld aan de wiskundige kennis van uw leerlingen. Met andere woorden de kerndoelen en eindtermen stellen nog andere eisen dan welke gesteld worden in de referentieniveaus voor rekenen. En mocht literatuur niet worden overgenomen dan moeten we daar ook iets over zeggen bij taal.
Een toets die gerelateerd is aan een referentieniveau (op termijn bijvoorbeeld een examen) toetst de mate waarin een leerling een aantal doelen beheerst. Bij elk doel wordt de leerling een aantal vragen voorgelegd. Er vanuit gaande dat deze vragen een vergelijkbare moeilijkheidsgraad hebben, lijkt het voor de hand te liggen dat gesteld gaat worden dat een leerling een doel beheerst in het geval hij tenminste een van te voren vastgelegd gedeelte (= cesuurpercentage) van de bijbehorende toetsvragen correct beantwoordt. De leerling beheerst het gehele referentieniveau in het geval hij een van te voren vastgesteld gedeelte (= beheersingspercentage) van alle doelen beheerst. Waar de cesuren precies moeten komen te liggen, is nog niet vastgesteld. Een extra moeilijkheid hierbij is dat een toets wel gerelateerd kan zijn aan een referentieniveau maar daarvan niet een 1 op 1 vertaling behoeft te zijn. Een toets als een landelijk examen kan ook andere onderdelen bevatten die de uiteindelijke totale score mede bepalen. De komende jaren zullen gebruikt worden om na onderzoek en proefafnames op deze vragen een antwoord te hebben.
