Onze website maakt gebruik van cookies. Met cookies wordt de website persoonlijker en gebruiksvriendelijker. Bekijk ons cookiebeleid. Wilt u cookies toestaan?
Introductie
De zorgen over de kwaliteit van ons onderwijs zijn doorgedrongen in brede maatschappelijke kring. Hoe daarover ook nu nog gesproken wordt blijkt wel uit dit ingezonden 'ikje' in NRC Handelsblad van 7/8 januari 2012 (Auteur: Hajo P. Strik).

Koffie
Bij bezoek aan het academisch ziekenhuis bestel ik koffie. Ik zie dat deze 2,10 euro kost en leg 4 euro nee. “het kost 2,10”, zegt de mevrouw bij de kassa. “dat weet ik”, zeg ik en wijs op de 4 euro. Opnieuw herhaalt zij: “2,10 euro.” En opnieuw wijs ik op mijn 2 muntstukken van 2 euro. “Heeft u niet gepast?” Hulpeloos kijkt ze naar een collega die iets verderop kopjes wast. Die begrijpt het dilemma: “Als je het aanslaat op de kassa, weet je wat je terug moet geven.”
Deze Expertgroep onder leiding van Heim Meijerink is met een systematische beschrijving gekomen van wat leerlingen in opeenvolgende fasen van het onderwijs moeten kennen en kunnen aan basisvaardigheden taal en rekenen. In totaal voor vier ‘momenten’ in hun schoolloopbaan, van primair onderwijs tot uitstroom naar de arbeidsmarkt of instroom in het hoger onderwijs. Voor elk moment is in een doorlopende leerlijn aangegeven waaraan alle leerlingen op dat niveau zouden moeten voldoen, de fundamentele niveaus (F). Er zijn ook streefniveaus geformuleerd als uitdaging voor leerlingen die meer aan kunnen (S). Het niveau 2F is aangeduid als het algemeen maatschappelijk functioneel niveau, het niveau waaraan elke Nederlander zou moeten voldoen. Het geheel aan beschrijvingen wordt aangeduid met ‘het referentiekader’. Op 1 augustus 2010 is de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen van kracht geworden. De wet is een sectoroverstijgende regeling. Dit om de inhoudelijke samenhang tussen de verschillende sectoren te bewerkstelligen. In de wet staat de opdracht om in de onderscheiden sectorwetten en besluiten van het po, so, vo en mbo referentieniveaus vast te stellen, met de gevolgen ervan voor scholen en leerlingen. Dat is inmiddels voor een belangrijk deel gerealiseerd.

De wet volgt het advies van de Expertgroep in grote lijnen. Dat wil zeggen dat de referentieniveaus verplicht zijn van primair onderwijs tot uitstroom naar de arbeidsmarkt en instroom in het hbo. De toewijzing van referentieniveaus door de overheid aan sectoren vindt u in onderstaand schema “Opbouw kader”. Hiermee kunt u eerdere en andere schema's als achterhaald beschouwen.
tabel-toewijzing-aan-sectoren.jpg

De Tweede Kamer zet het beleid voor taal en rekenen kracht bij door in te stemme met het een centrale eindtoets en een leerlingvolgsysteem in het basis- en special(basis)onderwijs. Een ander kabinetsvoornemen is aan het eind van de onderbouw vo een toetsing verplicht te stellen. Het Pisa-rapport van 7 december 2010 maakt dit beleid urgent. Er is brede steun voor dit beleid, niet alleen vanuit de Tweede Kamer. Afgaande op de politieke commentaren en maatschappelijke discussie wordt de noodzaak van een ambitieuze leercultuur waarin scholen systematisch en in een doorlopende leerlijn werken aan het maximaliseren van de leerprestaties algemeen onderschreven.
In de OCW-publicaties over de actieplannen voor het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en de leraren (respectievelijk: Basis voor Presteren, Beter Presteren en Leraar 2020) worden die ambities nog eens verwoord (brief van 23 mei 2011 aan de voorzitter van de Tweede Kamer).
Ook in het project ‘School aan Zet’ dat begin 2012 van start is gegaan krijgen taal en rekenen als kernvakken aandacht.