De referentieniveaus en bijbehorende toetsing bieden voor het eerst de mogelijkheid de ontwikkeling van taal- en rekenbeheersing van een leerling door de hele schoolcarrière heen nauwkeurig te volgen. Hoe scholen dit doen is een verantwoordelijkheid van de school of instelling. Zij kunnen bepalen welke leermiddelen ze gebruiken en ook welke tussentijdse toetsing en ondersteuning nodig zijn. De verplichte afname van landelijke toetsen verschilt per onderwijssector.
Verhoging onderwijspeil
Het Regeerakkoord van VVD en CDA begint in de onderwijsparagraaf met de zinsnede: “Nederland heeft de ambitie te behoren tot de top vijf van de kenniseconomieën.” Het akkoord koppelt dit ondermeer aan de kerntaak van het basisonderwijs die bij taal en rekenen ligt, de aankondiging van verplichte leerlingvolgsystemen en uniforme toetsen in het basis- en voortgezet onderwijs, en - vooral met het oog op de doorstroom van mbo naar hbo - de centrale examinering van kernvakken in het mbo.
De referentieniveaus moeten voor 75% van de leerlingen haalbaar zijn, met een ambitie van vijf tot tien procent meer. Hierbij worden door sommigen vraagtekens gezet, zeker als het om leerlingen gaat van lager opgeleide ouders en leerlingen van allochtone afkomst. In die groepen moet een grote sprong gemaakt worden (Kohnstamm Instituut in opdracht van OCW, 2009). Anderen stellen dat er met 1F een verlaging intreedt als gekeken wordt naar het onderdeel spelling. Deze opvatting onderschreef de minister bij de begrotingsbehandeling 2010 niet. Wat het ambitieniveau betreft is een bemoedigend teken dat de trajecten in het kader van de Kwaliteitsagenda PO volgens een IVA-onderzoek, dat in opdracht van het ministerie van OCW is uitgevoerd, nu al leiden tot overtuigende successen: driekwart van de basisscholen en scholen voor speciaal onderwijs ziet de prestaties op taal en rekenen aantoonbaar verbeteren.
Gepaste zorgvuldigheid
De introductie van het referentiekader kan een verzwaring betekenen van toets- en examenopgaven. Het toewijzen van referentieniveaus aan schooltypen, de vertaling naar toetsen en examens en de implementatie zal om die reden zorgvuldig plaatsvinden. De Tweede Kamer heeft bij het aannemen van het wetsvoorstel aangedrongen op een zorgvuldig invoeringsproces en ruimte voor ervaringen met de haalbaarheid van de referentieniveaus.
Om leerlingen te begeleiden en te ondersteunen richting de eindniveaus worden de referentieniveaus in het po uitgewerkt in tussendoelen en leerlijnen en verwerkt in het leerlingvolgsysteem. Voor het vo en mbo worden diagnostische toetsen voor de basiskennis en -vaardigheden op de verschillende referentieniveaus beschikbaar gesteld, zodat scholen de komende jaren kunnen bepalen waar hun leerlingen staan. Het zou kunnen helpen als scholen gebruik maken van tussentijdse toetsen om te monitoren of de prestaties van de leerlingen op schema liggen voor het halen van de referentieniveaus. De wet bevat de mogelijkheid om scholen hiertoe te verplichten maar hiervan wordt vooralsnog geen gebruik gemaakt.